HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← blameren — definition

Conjugation of blameren

Regular CEFR B2
ˌblaːˈmeː.rə(n)

te schande maken, onteren Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik blameer
jij / je blameert
hij / zij / het blameert
wij / we blameren
jullie blameren
zij / ze blameren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik blameerde
jij / je blameerde
hij / zij / het blameerde
wij / we blameerden
jullie blameerden
zij / ze blameerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik blamere
jij / je blamere
hij / zij / het blamere
wij / we blameren
jullie blameren
zij / ze blameren
Aanvoegende wijs — verleden
ik blameerde
jij / je blameerde
hij / zij / het blameerde
wij / we blameerden
jullie blameerden
zij / ze blameerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij blameer
jullie (archaïsch) blameert

Onbepaalde vormen

Infinitief
blameren
Tegenwoordig deelwoord
blamerend
Voltooid deelwoord
geblameerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary