HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bijten — definition

Conjugation of bijten

Regular CEFR B2
ˈbɛi̯tə(n)

iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen tijdens vechten of om te eten Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bijt
jij / je bijt
hij / zij / het bijt
wij / we bijten
jullie bijten
zij / ze bijten
Verleden tijd (o.v.t.)
ik beet
jij / je beet
hij / zij / het beet
wij / we beten
jullie beten
zij / ze beten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bijte
jij / je bijte
hij / zij / het bijte
wij / we bijten
jullie bijten
zij / ze bijten
Aanvoegende wijs — verleden
ik bete
jij / je bete
hij / zij / het bete
wij / we beten
jullie beten
zij / ze beten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bijt
jullie (archaïsch) bijt

Onbepaalde vormen

Infinitief
bijten
Tegenwoordig deelwoord
bijtend
Voltooid deelwoord
gebeten

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary