HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bewonen — definition

Conjugation of bewonen

Regular CEFR C2
bəˈʋoːnə(n)

wonen in, wonen op Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bewoon
jij / je bewoont
hij / zij / het bewoont
wij / we bewonen
jullie bewonen
zij / ze bewonen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bewoonde
jij / je bewoonde
hij / zij / het bewoonde
wij / we bewoonden
jullie bewoonden
zij / ze bewoonden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bewone
jij / je bewone
hij / zij / het bewone
wij / we bewonen
jullie bewonen
zij / ze bewonen
Aanvoegende wijs — verleden
ik bewoonde
jij / je bewoonde
hij / zij / het bewoonde
wij / we bewoonden
jullie bewoonden
zij / ze bewoonden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bewoon
jullie (archaïsch) bewoont

Onbepaalde vormen

Infinitief
bewonen
Tegenwoordig deelwoord
bewonend
Voltooid deelwoord
bewoond

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary