Conjugation of bevoorrechten
/bəˈvoːrɛxtə(n)/bijzondere rechten toekennen aan de één boven de ander Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | bevoorrecht |
| jij / je | bevoorrecht |
| hij / zij / het | bevoorrecht |
| wij / we | bevoorrechten |
| jullie | bevoorrechten |
| zij / ze | bevoorrechten |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | bevoorrechtte |
| jij / je | bevoorrechtte |
| hij / zij / het | bevoorrechtte |
| wij / we | bevoorrechtten |
| jullie | bevoorrechtten |
| zij / ze | bevoorrechtten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | bevoorrechte |
| jij / je | bevoorrechte |
| hij / zij / het | bevoorrechte |
| wij / we | bevoorrechten |
| jullie | bevoorrechten |
| zij / ze | bevoorrechten |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | bevoorrechtte |
| jij / je | bevoorrechtte |
| hij / zij / het | bevoorrechtte |
| wij / we | bevoorrechtten |
| jullie | bevoorrechtten |
| zij / ze | bevoorrechtten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | bevoorrecht |
| jullie (archaïsch) | bevoorrecht |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | bevoorrechten |
Tegenwoordig deelwoord
| — | bevoorrechtend |
Voltooid deelwoord
| — | bevoorrecht |