HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bevolken — definition

Conjugation of bevolken

Regular CEFR C2
bəˈvɔlkə(n)

als bewoner leven op, aanwezig zijn op Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bevolk
jij / je bevolkt
hij / zij / het bevolkt
wij / we bevolken
jullie bevolken
zij / ze bevolken
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bevolkte
jij / je bevolkte
hij / zij / het bevolkte
wij / we bevolkten
jullie bevolkten
zij / ze bevolkten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bevolke
jij / je bevolke
hij / zij / het bevolke
wij / we bevolken
jullie bevolken
zij / ze bevolken
Aanvoegende wijs — verleden
ik bevolkte
jij / je bevolkte
hij / zij / het bevolkte
wij / we bevolkten
jullie bevolkten
zij / ze bevolkten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bevolk
jullie (archaïsch) bevolkt

Onbepaalde vormen

Infinitief
bevolken
Tegenwoordig deelwoord
bevolkend
Voltooid deelwoord
bevolkt

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary