HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← betuttelen — definition

Conjugation of betuttelen

Regular CEFR C2
bəˈtʏ.tə.lə(n)

paternalistisch, bemoeizuchtig, vitterig behandelen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik betuttel
jij / je betuttelt
hij / zij / het betuttelt
wij / we betuttelen
jullie betuttelen
zij / ze betuttelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik betuttelde
jij / je betuttelde
hij / zij / het betuttelde
wij / we betuttelden
jullie betuttelden
zij / ze betuttelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik betuttele
jij / je betuttele
hij / zij / het betuttele
wij / we betuttelen
jullie betuttelen
zij / ze betuttelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik betuttelde
jij / je betuttelde
hij / zij / het betuttelde
wij / we betuttelden
jullie betuttelden
zij / ze betuttelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij betuttel
jullie (archaïsch) betuttelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
betuttelen
Tegenwoordig deelwoord
betuttelend
Voltooid deelwoord
betutteld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary