HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← betegelen — definition

Conjugation of betegelen

Regular CEFR B2
bəˈteːɣələ(n)

een vloer of wand van tegels voorzien Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik betegel
jij / je betegelt
hij / zij / het betegelt
wij / we betegelen
jullie betegelen
zij / ze betegelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik betegelde
jij / je betegelde
hij / zij / het betegelde
wij / we betegelden
jullie betegelden
zij / ze betegelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik betegele
jij / je betegele
hij / zij / het betegele
wij / we betegelen
jullie betegelen
zij / ze betegelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik betegelde
jij / je betegelde
hij / zij / het betegelde
wij / we betegelden
jullie betegelden
zij / ze betegelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij betegel
jullie (archaïsch) betegelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
betegelen
Tegenwoordig deelwoord
betegelend
Voltooid deelwoord
betegeld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary