Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | beschik |
| jij / je | beschikt |
| hij / zij / het | beschikt |
| wij / we | beschikken |
| jullie | beschikken |
| zij / ze | beschikken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | beschikte |
| jij / je | beschikte |
| hij / zij / het | beschikte |
| wij / we | beschikten |
| jullie | beschikten |
| zij / ze | beschikten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | beschikke |
| jij / je | beschikke |
| hij / zij / het | beschikke |
| wij / we | beschikken |
| jullie | beschikken |
| zij / ze | beschikken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | beschikte |
| jij / je | beschikte |
| hij / zij / het | beschikte |
| wij / we | beschikten |
| jullie | beschikten |
| zij / ze | beschikten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | beschik |
| jullie (archaïsch) | beschikt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | beschikken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | beschikkend |
Voltooid deelwoord
| — | beschikt |