Conjugation of bescharen
/bəˈsxaː.rə(n)/to steal, to secretly appropriate Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | beschaar |
| jij / je | beschaart |
| hij / zij / het | beschaart |
| wij / we | bescharen |
| jullie | bescharen |
| zij / ze | bescharen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | beschaarde |
| jij / je | beschaarde |
| hij / zij / het | beschaarde |
| wij / we | beschaarden |
| jullie | beschaarden |
| zij / ze | beschaarden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | beschare |
| jij / je | beschare |
| hij / zij / het | beschare |
| wij / we | bescharen |
| jullie | bescharen |
| zij / ze | bescharen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | beschaarde |
| jij / je | beschaarde |
| hij / zij / het | beschaarde |
| wij / we | beschaarden |
| jullie | beschaarden |
| zij / ze | beschaarden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | beschaar |
| jullie (archaïsch) | beschaart |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | bescharen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | bescharend |
Voltooid deelwoord
| — | beschaard |