HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← beroepen — definition

Conjugation of beroepen

Regular CEFR C2
bəˈru.pə(n)

iemand vragen de verantwoordelijkheden van voorganger van een kerkelijke gemeente op zich te nemen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik beroep
jij / je beroept
hij / zij / het beroept
wij / we beroepen
jullie beroepen
zij / ze beroepen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik beriep
jij / je beriep
hij / zij / het beriep
wij / we beriepen
jullie beriepen
zij / ze beriepen

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik beroepe
jij / je beroepe
hij / zij / het beroepe
wij / we beroepen
jullie beroepen
zij / ze beroepen
Aanvoegende wijs — verleden
ik beriepe
jij / je beriepe
hij / zij / het beriepe
wij / we beriepen
jullie beriepen
zij / ze beriepen

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij beroep
jullie (archaïsch) beroept

Onbepaalde vormen

Infinitief
beroepen
Tegenwoordig deelwoord
beroepend
Voltooid deelwoord
beroepen

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary