HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bengelen — definition

Conjugation of bengelen

Regular CEFR B2
ˈbɛ.ŋə.lə(n)

heen en weer slingeren Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bengel
jij / je bengelt
hij / zij / het bengelt
wij / we bengelen
jullie bengelen
zij / ze bengelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik bengelde
jij / je bengelde
hij / zij / het bengelde
wij / we bengelden
jullie bengelden
zij / ze bengelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik bengele
jij / je bengele
hij / zij / het bengele
wij / we bengelen
jullie bengelen
zij / ze bengelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik bengelde
jij / je bengelde
hij / zij / het bengelde
wij / we bengelden
jullie bengelden
zij / ze bengelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bengel
jullie (archaïsch) bengelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
bengelen
Tegenwoordig deelwoord
bengelend
Voltooid deelwoord
gebengeld

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary