HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← benemen — definition

Conjugation of benemen

Regular CEFR B1
bəˈneːmə(n)

iemand iets ~: laten verliezen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik beneem
jij / je beneemt
hij / zij / het beneemt
wij / we benemen
jullie benemen
zij / ze benemen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik benam
jij / je benam
hij / zij / het benam
wij / we benamen
jullie benamen
zij / ze benamen

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik beneme
jij / je beneme
hij / zij / het beneme
wij / we benemen
jullie benemen
zij / ze benemen
Aanvoegende wijs — verleden
ik bename
jij / je bename
hij / zij / het bename
wij / we benamen
jullie benamen
zij / ze benamen

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij beneem
jullie (archaïsch) beneemt

Onbepaalde vormen

Infinitief
benemen
Tegenwoordig deelwoord
benemend
Voltooid deelwoord
benomen

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary