HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← beitelen — definición

Conjugation of beitelen

Regular CEFR B2
/ˈbɛi̯.tə.lə(n)/

iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik beitel
jij / je beitelt
hij / zij / het beitelt
wij / we beitelen
jullie beitelen
zij / ze beitelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik beitelde
jij / je beitelde
hij / zij / het beitelde
wij / we beitelden
jullie beitelden
zij / ze beitelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik beitele
jij / je beitele
hij / zij / het beitele
wij / we beitelen
jullie beitelen
zij / ze beitelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik beitelde
jij / je beitelde
hij / zij / het beitelde
wij / we beitelden
jullie beitelden
zij / ze beitelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij beitel
jullie (archaïsch) beitelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
beitelen
Tegenwoordig deelwoord
beitelend
Voltooid deelwoord
gebeiteld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary