HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bazen — definition

Conjugation of bazen

Regular CEFR C1
ˈbaːzə(n)

bazig doen, de baas zijn over iemand Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik baas
jij / je baast
hij / zij / het baast
wij / we bazen
jullie bazen
zij / ze bazen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik baasde
jij / je baasde
hij / zij / het baasde
wij / we baasden
jullie baasden
zij / ze baasden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik baze
jij / je baze
hij / zij / het baze
wij / we bazen
jullie bazen
zij / ze bazen
Aanvoegende wijs — verleden
ik baasde
jij / je baasde
hij / zij / het baasde
wij / we baasden
jullie baasden
zij / ze baasden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij baas
jullie (archaïsch) baast

Onbepaalde vormen

Infinitief
bazen
Tegenwoordig deelwoord
bazend
Voltooid deelwoord
gebaasd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary