Conjugation of asfalteren
ˌɑs.fɑlˈteː.rə(n)bedekken met een mengsel van bitumen, steentjes en andere stoffen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | asfalteer |
| jij / je | asfalteert |
| hij / zij / het | asfalteert |
| wij / we | asfalteren |
| jullie | asfalteren |
| zij / ze | asfalteren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | asfalteerde |
| jij / je | asfalteerde |
| hij / zij / het | asfalteerde |
| wij / we | asfalteerden |
| jullie | asfalteerden |
| zij / ze | asfalteerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | asfaltere |
| jij / je | asfaltere |
| hij / zij / het | asfaltere |
| wij / we | asfalteren |
| jullie | asfalteren |
| zij / ze | asfalteren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | asfalteerde |
| jij / je | asfalteerde |
| hij / zij / het | asfalteerde |
| wij / we | asfalteerden |
| jullie | asfalteerden |
| zij / ze | asfalteerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | asfalteer |
| jullie (archaïsch) | asfalteert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | asfalteren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | asfalterend |
Voltooid deelwoord
| — | geasfalteerd |