HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← arbeiden — definition

Conjugation of arbeiden

Regular CEFR B2
ˈɑrbɛi̯də(n)

werk verrichten, met name met de handen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik arbeid
jij / je arbeidt
hij / zij / het arbeidt
wij / we arbeiden
jullie arbeiden
zij / ze arbeiden
Verleden tijd (o.v.t.)
ik arbeidde
jij / je arbeidde
hij / zij / het arbeidde
wij / we arbeidden
jullie arbeidden
zij / ze arbeidden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik arbeide
jij / je arbeide
hij / zij / het arbeide
wij / we arbeiden
jullie arbeiden
zij / ze arbeiden
Aanvoegende wijs — verleden
ik arbeidde
jij / je arbeidde
hij / zij / het arbeidde
wij / we arbeidden
jullie arbeidden
zij / ze arbeidden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij arbeid
jullie (archaïsch) arbeidt

Onbepaalde vormen

Infinitief
arbeiden
Tegenwoordig deelwoord
arbeidend
Voltooid deelwoord
gearbeid

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary