Conjugation of apostilleren
/aːˌpɔs.tiˈleː.rə(n)/het voor echt verklaren door een bevoegde autoriteit van verklaringen, handtekeningen etc. (door het plaatsen van de nodige stempels etc.) Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | apostilleer |
| jij / je | apostilleert |
| hij / zij / het | apostilleert |
| wij / we | apostilleren |
| jullie | apostilleren |
| zij / ze | apostilleren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | apostilleerde |
| jij / je | apostilleerde |
| hij / zij / het | apostilleerde |
| wij / we | apostilleerden |
| jullie | apostilleerden |
| zij / ze | apostilleerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | apostillere |
| jij / je | apostillere |
| hij / zij / het | apostillere |
| wij / we | apostilleren |
| jullie | apostilleren |
| zij / ze | apostilleren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | apostilleerde |
| jij / je | apostilleerde |
| hij / zij / het | apostilleerde |
| wij / we | apostilleerden |
| jullie | apostilleerden |
| zij / ze | apostilleerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | apostilleer |
| jullie (archaïsch) | apostilleert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | apostilleren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | apostillerend |
Voltooid deelwoord
| — | geapostilleerd |