HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← anticiperen — definición

Conjugation of anticiperen

Regular CEFR C2
/ɑn.ti.siˈpeː.rə(n)/

vanuit een bepaalde verwachting handelen, vooruit kijken, vooruit regelen, vooruitlopen (op) Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik anticipeer
jij / je anticipeert
hij / zij / het anticipeert
wij / we anticiperen
jullie anticiperen
zij / ze anticiperen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik anticipeerde
jij / je anticipeerde
hij / zij / het anticipeerde
wij / we anticipeerden
jullie anticipeerden
zij / ze anticipeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik anticipere
jij / je anticipere
hij / zij / het anticipere
wij / we anticiperen
jullie anticiperen
zij / ze anticiperen
Aanvoegende wijs — verleden
ik anticipeerde
jij / je anticipeerde
hij / zij / het anticipeerde
wij / we anticipeerden
jullie anticipeerden
zij / ze anticipeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij anticipeer
jullie (archaïsch) anticipeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
anticiperen
Tegenwoordig deelwoord
anticiperend
Voltooid deelwoord
geanticipeerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary