HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← ankeren — definición

Conjugation of ankeren

Regular CEFR B1
/ˈɑŋkərə(n)/

het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik anker
jij / je ankert
hij / zij / het ankert
wij / we ankeren
jullie ankeren
zij / ze ankeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik ankerde
jij / je ankerde
hij / zij / het ankerde
wij / we ankerden
jullie ankerden
zij / ze ankerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik ankere
jij / je ankere
hij / zij / het ankere
wij / we ankeren
jullie ankeren
zij / ze ankeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik ankerde
jij / je ankerde
hij / zij / het ankerde
wij / we ankerden
jullie ankerden
zij / ze ankerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij anker
jullie (archaïsch) ankert

Onbepaalde vormen

Infinitief
ankeren
Tegenwoordig deelwoord
ankerend
Voltooid deelwoord
geankerd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary