Conjugation of adresseren
/aː.drɛˈseː.rə(n)/het adres in een computergeheugen benaderen voor het lezen of opslaan van gegevens Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | adresseer |
| jij / je | adresseert |
| hij / zij / het | adresseert |
| wij / we | adresseren |
| jullie | adresseren |
| zij / ze | adresseren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | adresseerde |
| jij / je | adresseerde |
| hij / zij / het | adresseerde |
| wij / we | adresseerden |
| jullie | adresseerden |
| zij / ze | adresseerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | adressere |
| jij / je | adressere |
| hij / zij / het | adressere |
| wij / we | adresseren |
| jullie | adresseren |
| zij / ze | adresseren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | adresseerde |
| jij / je | adresseerde |
| hij / zij / het | adresseerde |
| wij / we | adresseerden |
| jullie | adresseerden |
| zij / ze | adresseerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | adresseer |
| jullie (archaïsch) | adresseert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | adresseren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | adresserend |
Voltooid deelwoord
| — | geadresseerd |