HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← aarzelen — definición

Conjugation of aarzelen

Regular CEFR C2
/ˈaːrzələ(n)/

onzeker zijn, twijfelen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik aarzel
jij / je aarzelt
hij / zij / het aarzelt
wij / we aarzelen
jullie aarzelen
zij / ze aarzelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik aarzelde
jij / je aarzelde
hij / zij / het aarzelde
wij / we aarzelden
jullie aarzelden
zij / ze aarzelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik aarzele
jij / je aarzele
hij / zij / het aarzele
wij / we aarzelen
jullie aarzelen
zij / ze aarzelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik aarzelde
jij / je aarzelde
hij / zij / het aarzelde
wij / we aarzelden
jullie aarzelden
zij / ze aarzelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij aarzel
jullie (archaïsch) aarzelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
aarzelen
Tegenwoordig deelwoord
aarzelend
Voltooid deelwoord
geaarzeld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary