HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← aanhoren — definition

Conjugation of aanhoren

Regular CEFR C1
ˈaːnɦoːrə(n)

elkaar ~: vaak beleefdheidshalve naar elkaar luisteren Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik aanhoor
jij / je aanhoort
hij / zij / het aanhoort
wij / we aanhoren
jullie aanhoren
zij / ze aanhoren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik aanhoorde
jij / je aanhoorde
hij / zij / het aanhoorde
wij / we aanhoorden
jullie aanhoorden
zij / ze aanhoorden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik aanhore
jij / je aanhore
hij / zij / het aanhore
wij / we aanhoren
jullie aanhoren
zij / ze aanhoren
Aanvoegende wijs — verleden
ik aanhoorde
jij / je aanhoorde
hij / zij / het aanhoorde
wij / we aanhoorden
jullie aanhoorden
zij / ze aanhoorden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij aanhoor
jullie (archaïsch) aanhoort

Onbepaalde vormen

Infinitief
aanhoren
Tegenwoordig deelwoord
aanhorend
Voltooid deelwoord
aanhoord

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary